Spitsbergen, april 1997
Spitsbergen is een ideaal gebied voor beginnende poolreizigers: het is eenvoudig te bereiken, de
afstanden zijn er overzichtelijk, maar bovenal, het ijskoude landschap is van een betoverende schoonheid.
Het was hier dat we ons hart verloren aan het arctisch gebied.
In twee weken tijd maakten we een tocht vanuit de de Billefjordenfjorden naar de Newtontoppen, het
hoogste punt van Spitsbergen. Via de Lomonnosov ijskap liepen we naar het zuiden, om vervolgens afdalend
door het Gipsdalen weer bij de kust te eindigen. Via de bevroren Isfjord loop je dan in twee dagen weer
terug naar Longyearbyen.
Onderstaand artikel is in december 1997 door ons gepubliceerd in 'De Berggids', uitgave van de
toenmalige Koninklijke Nederlandse Alpen Vereniging.
De voorbereidingen voor onze eerste expeditie naar het Hoge Noorden nemen al snel een jaar in beslag;
we regelen kaartmateriaal bij het Norsk Polarinstitutt, bestellen vriesdroogmaaltijden en lezen alle
verslagen van arctische expedities die we kunnen vinden. Als de K.N.A.V uiteindelijk auspicieën verleent
krijgen we vrij snel daarna ook toestemming van de Sysselmannen, de Gouverneur van Spitsbergen. Transport
blijkt lastiger te organiseren; alles moet per helicopter en dat slaat een aardig gat in het budget.
Op de valreep blijkt Global One (tegenwoordig: Equant), een telecomunicatiebedrijf, bereid een
gedeelte van de kosten van de helicopter voor rekening te willen nemen. Het sommetje klopt weer!
Het laatste (en niet geringste) struikelblok wordt pas een maand voor vertrek opgelost: de sleetjes.
Om alle materialen en voedsel mee te kunnen nemen, maken we gebruik van sledes (pulka’s). Om kosten
te besparen kiezen we voor een uitermate low-budget oplossing: met wat knutselwerk bouwen we
kindersleetjes uit de speelgoedwinkel om tot een soort 'pulka'.
De route die we in gedachte hebben gaat vanuit de Billefjorden via de Formidalbelbreen naar de
Newtontoppen. Vervolgens over de Lomonossovfonna en via het Gipsdalen richting Tempelfjorden. Over
zee lopen we dan weer terug naar het Longyearbyen. In totaal denken we er 15 dagen over te doen.
Voordat het zover is moeten we echter eerst nog met de helicopter vanuit Longyearbyen naar een
droppingspunt aan de Billefjorden. Dat gaat nog bìjna mis!

Het is een treurige optocht die door de verwarmde hangar van Airlift SA naar het kantoortje van de
bedrijfsleider sjokt. Zelfs met de best mogelijke wil van de wereld is het niet mogelijk onze bagage
in de gereedstaande helicopter te stouwen. De boodschap van de piloot laat weinig aan twijfel over;
òf er word een keer heen en weer gevlogen òf er wordt helemaal niet gevlogen. Het rekensommetje dat
ik al een duizend keer heb gemaakt ratelt nogmaals door mijn hoofd; die heli was al een rib uit ons
lijf en nu wordt het nog allemaal tweemaal zo duur ook! De bedrijfsleider ziet onze teleurstelling
ook wel en noemt een redelijke prijs. Wij accepteren. het moet allemaal nèt kunnen en nu we hier
eenmaal zijn hebben we eigenlijk ook weinig keus; vanuit het vliegtuig dat ons naar Longyearbyen
bracht zagen we al grote stukken open water tussen het zeeijs op de fjord. Een oversteek te voet is
nu niet mogelijk.
De metalige stem van de piloot kraakt door het intercom. 'W're alomost there guys!' Waar dan?
Het fraaie uitzicht waar ik me zo op verheugd had ontbreekt ten ene male. Ingeklemd tussen de sledes,
touwen, skies en rugzakken kan ik maar net naar buiten gluren. Af en toe passeren er fragmenten van
steile rotsmassieven en bevroren fjorden maar een duidelijk overzicht van het lege land waar we
overheen vliegen krijg ik niet.
Voordat we landen scheert de piloot driemaal laag over de grond om vervolgens weer steil op te
trekken. De sleetjes schuiven door de cabine en ik vraag me af waar die man in godsnaam zijn brevet
gehaald heeft. De verklaring komt krakend door het intercom; 'Sorry guys, before we touch ground we
make a couple of loops... To frighten any polar bears... Safety procedures'.
Zodra de heli geland is gooien de spullen op het ijs en voordat de heli gierend vertekt neemt de
piloot grijnzend afscheid. 'Always remember you are in the land of Mr. polar bear. He can be anywhere
and may appear any time. No reason to panic. Just be careful!' Good luck!
De woorden van de piloot galmen nog na als we nauwelijks enkele uren later op het bevroren strand
peinzend naar een stel enorme afdrukken in de sneeuw staren. Tenzij de Yeti hier zijn winterverblijf
heeft moet dit het verse spoor van een ijsbeer zijn. Terwijl we verder gaan houden we de omgeving
nauwlettend in de gaten. Enige tijd lopen we zo verder totdat een droge opmerking van Peter een einde
aan de onzekerheid maakt. 'Jongens, ik geloof dat we die ijsbeer niet meer hoeven te zoeken. Daar
loopt-ie'.
Met een onwaarschijnlijke soepelheid beweegt de beer zich gracieus over de witte vlakte. Gelukkig
loopt hij bovenwinds en als hij ons al in de gaten heeft dan toont hij niet de minste interesse.
Spoedig lost hij op in een morenegebied. We nemen het opzetten van de tripwires rondom het tentenkamp
ineens een stuk serieuzer. Als we koud drie uur na het begin van de tocht al een ijsbeer tegen het
lijf lopen dan belooft dat nog wat voor de komende weken! Lang nadat ik al in mijn slaapzak lig heb
ik nog fantasieën van twee klauwen die het tentdoek boven mijn hoofd aan stukken scheuren op
zoek naar een hapje mens. Ondanks dat we een geweer en een alarmpistool hebben voel ik me akelig
machteloos. Je kan alleen maar hopen dat als er een beer op je tent afkomt, de knal van de tripwires
hem zodanig aan het schrikken maakt dat-ie het hazepad kiest. Een beer die het hazepad kiest... Met
die onzinnige gedachte in mijn hoofd val ik uiteindelijk in slaap.

Het is wonderbaarlijk te zien hoe rijk aan fauna het arctisch gebied is. Behalve natuurlijk veel
maritiem leven (walvissen, zeehonden en ijsberen) zit de kust ook vol met bijvoorbeeld kleine
poolvosjes. Op het besneeuwde strand kwamen we deze groep Svalbard rendieren tegen. Dit dier is een
stuk kleiner en gedrongener dan zijn neefje uit Lapland. Ongelofelijk waar deze dieren zich van in
leven houden tijdens de lange poolwinter! Op spitsbergen groeien geen struiken en in de winter moeten
deze dieren zich in leven houden met het knabbelen aan korstmossen van de stenen op het strand.
De volgende dagen zwoegen we met matig weer naar de centrale ijskap op 1.000 meter hoogte.
Ongelukkig genoeg is er een laag verse sneeuw gevallen zodat de sleetjes bij elke beweging kreunend
in een sneeuwwal vastlopen. Het spoor dat we achter ons laten heeft nog het meeste weg van dat van
een reuzeschildpad en de snelheid waarmee we vorderen is navenant. Zelfs als we ons helemaal
stukwerken zit er niet meer dan een frustrerende 4 kilometer per uur in en dat terwijl het steile
stuk nog moet komen! Uiteindelijk lukt het ons om in een lange dag het tijdsverlies in te halen.
Om tien uur 's avonds bereiken we de plek die we als uitvalsbasis voor een toppoging in gedachten
hadden.

We zijn allemaal moe en murw door de harde wind en de plotseling sterk gedaalde temperatuur.
Een aantal van ons voelt zich nog redelijk sterk maar ik voel me leeg en eindeloos moe en koud.
Het lijkt alsof het laatste beetje warmte zich ergens ver in me heeft teruggestrokken. Lusteloos
pruts ik wat aan mijn sleetje op zoek naar een extra bivakmuts. Vagelijk mummelt een stemmetje in
me dat ik die muts moet hebben, dat ik hier niet zo moet blijven staan en dat ik iets moet doen maar
eigenlijk interesseert het me niet zoveel meer. Later in de warme tent realiseer je je pas hoe
gevaarlijk een dergelijke toestand van sluipende onderkoeling in combinatie met een beperkte
(lees: te weinig) hoeveelheid voedsel eigenlijk is. Gelukkig halen mijn tochtgenoten me weer uit
mijn apathie en duwen een tentzeil in mijn handen. Tent opzetten, sneeuwblokken zagen en kookspullen
verzamelen. Ik ben weer bij de les. Het is een boodschap die voor elke pooltocht geldt: let op elkaar.
Altijd. Let op al die kleine dingen die aangeven dat iemand niet meer lekker gaat, slingerbewegingen
bij het lopen, nonchalance, moeheid. De marges die je hebt bij temperaturen van -30 graden zijn
dermate klein dat je het je domweg niet kan permitteren nièt op elkaar te letten!

Vandaag is het eigenlijke doel, de Newtontoppen, aan de beurt. Met zijn 1.717 meter de hoogste
berg van Spitsbergen. Om in de winter, hoewel je April niet echt winter meer kan noemen, op eigen
kracht deze berg te beklimmen is een droom die we vandaag hopen waar te maken. Opstaan bij
-28 °C is geen pretje. Mijn schoenen zijn bevroren en even later lijken mijn voeten het zelfde
lot te volgen. Geen prettig vooruitzicht want in '93 zijn al mijn tenen al eens bevroren op de
topgraat van de Khan Tengri in het Tien Shan gebergte. Gelukkig is alles goedgekomen maar je gaat
wel extra opletten. Gelukkig is het prachtig weer; onbewolkt met een fris Noordpoolbriesje. Als een
speer gaan we er vandoor. Eerst doe ik mijn face-mask voor maar de uitgeademde lucht bevriest tegen
de binnenkant van mijn skibril. Zo zie ik geen barst meer. Stef loopt straf door. Hij wil het
waarschijnlijk ook warm krijgen. Vandaag mag hij het geweer dragen. Het kamp is nu basiskamp geworden,
spannend want al ons materiaal en eten laten we achter met alleen de trip-wires als beveiliging. Als
een ijsbeer het in zijn hoofd haalt te gaan grasduinen in ons eten moeten die lullige draadjes ervoor
zorgen dat er een rookgranaat afgaat. Men zegt dat ijsberen hier zo van schrikken dat ze met de staart
tussen de benen er vandoor gaan. Eerst zien, dan geloven. We schieten flink op over de licht glooiende
hard aangewaaide ijskorst. Oriëntatie blijkt toch een hele kluif, we willen natuurlijk voorkomen
dat we op de foute berg uitkomen. We maken een omtrekkende beweging omdat het terrein aan de noordkant
makkelijker te beklimmen is op langlaufski's. Al snel hang ik achteraan, nieuwe schoenen en het
stijgen zorgen ervoor dat beide hakken helemaal beurs worden. Nu we op hoogte komen begin ik pas een
indruk te krijgen van het wijdse landschap. Eindeloos lopen de ijskappen en gletchers door, af en toe
onderbroken door een rijtje toppen die door de witte massa prikken. Ik denk dat ik wel 100 km zicht
heb en heb ook het gevoel dat de wind recht van de Noordpool komt. Er ligt dan ook helemaal niets
tussen ons en dit fictieve punt. Wat zijn die eerste avonturiers bikkels geweest om dat eindeloze
onbekende en vijandige terrein in te duiken, geen idee hebbend wat daar te vinden zou zijn. Om 4 uur
zijn we boven, nog steeds met een flinke bries en -24 °C. Het hele eiland ligt aan onze voeten
en het uitzicht is fenomenaal. Snel beginnen we met de sponsorfoto's te maken, een hele toer met die
wind. Met de ski's op de rugzak maken we de overschrijding compleet. De zuidwest zijde van de
Newtontoppen is een 30 graden steile sneeuwflank. Zonder telemarkervaring is dit voor ons niet te
doen. Stef heeft hier een beetje moeite mee en gelukkig is Robert zo collegiaal om gedurende de 500
meter lange afdaling bij hem te blijven.

Je moet natuurlijk wel van kou houden. Hier bij minus 30 graden op Spitsbergen. Bescherming van
het gezicht is essentieel. Het gezichtsmasker op de foto (neopreen) voldoet overigens maar
matig.
De dagen schakelen zich aaneen en langzaam komt het tot een soort verbond met de ijzige vlakte
om ons heen. Er begint een ritme te ontstaan en de dingen gaan opeens soepeler en vanzelfsprekender.
We wennen aan de poolzon die 24 uur per dag schijnt. In het begin sliepen we nog met oogkapjes, maar
op een bepaald moment maakt het niet meer uit en slapen we zelfs in de felle zon. Elke ochtend lijkt
het weer of het gesneeuwd heeft in de tent, heel lichtjes. De condens van het koken en slapen zet
zich af tegen de binnentent en bij de minste of geringste beweging dwarrelt er een kleine sneeuwbui
door de tent. Peter kruipt er zoals gewoonlijk als eerste uit: opdracht het legen van het urinaal
waar hij ook het meeste gebruik van maakt. Vervolgens is het zaak de tent uit te zijn voordat Jan
uit zijn vapour barrier binnenzak komt. Een vapour barrier is een soort plastic zak waar je slechts
in je ondergoed gekleed in gaat liggen. Het voorkomt dat transpiratievocht in je slaapzak bevriest
en dat je donzen slaapzak langzaamaan in een zak met ijsklontjes verandert. Nadeel van een vapour
barrier is dat het wanstaltig stinkt. We zijn allemaal heel wat gewend maar de geur van een vers
uit het cellofaan gepakte Jan wens je je ergste vijanden nog niet toe. Als alarmfase 1 voorbij
is stoken we de branders op voor het ontbijt en stijgt de temperatuur in de tent van een kille -25
graden tot een aangename +10 graden.
Het vergt heel wat organisatie om 5 mensen plus een brander in een tent te laten coexisteren.
Als iemand een been wil strekken moeten 4 anderen ook gaan verzitten. Het is een wonder dat er
gedurende twee weken maar tweemaal een pan met eten van de brander valt. Snel smelten we sneeuw
voor de thermosflessen en dan gaan we de kou weer in. We kunnen het steeds sneller; hadden we er
in het begin anderhalf uur voor nodig voordat alles op de sledes lag, nu doen we het al in drie
kwartier. Opgewekt stappen we de koude in. Weer een dagje met een zak cement over de ijskap sleuren.
We hebben er zin in!
De euforie van het toch nog vlot bereiken van de top maakt al snel plaats voor het besef dat we
nog zo'n 150 kilometer voor de boeg hebben voordat we Longyearbyen zullen bereiken. Gelukkig zijn de
weergoden ons goed gezind; het blijft aanhoudend koud, zo’n -30 °C maar het zicht is goed en,
het belangrijkste, we hebben wind in de rug zodat we zonder gezichtsmasker kunnen lopen. In twee
dagen steken we de Lomonssovfonne over, het hoogste deel van de ijskap op Spitsbergen. Nooit eerder
hebben we zo'n leegte gezien. De ijsmassa strekt zich tot aan de horizon uit.
Tijd om na te denken hebben we genoeg; de monotone skibeweging en de volledige afwezigheid van
enig detail in het landschap maakt je een reiziger in je eigen hoofd. Soms lijken minuten uren te
duren, maar vaker nog wordt je uit je overpeinzingen opgeschrikt door een vrolijk 'Bountytijd!' van
de voorste man, die inmiddels in zijn sleetje op zoek is naar het dagrantsoen (weliswaar stijf
bevroren) Stukje Paradijs Op Aarde, een teken dat de middagpauze aangebroken is.
Door de mooie vorderingen die we maken zou je bijna vergeten in welk penibel terrein je je bevindt.
Totdat de natuur je met een veeg van haar grillen je plaats weer laat weten. Die nacht worden grote
wolkenmassa's tegen de ijskap opgestuwd en wakkert de wind aan. Bij het opstaan twijfelen we geen
moment; het is geen fraai weer, maar lopend op kompaskoers moeten we nog een heel eind kunnen komen.
Een vergissing. We zijn nauwelijks op weg en de wind neemt toe tot stormkracht. Met moeite houden we
ons staande. Langzaam besluipt ons het gevoel dat de dingen uit de hand lopen. Het is verschrikkelijk
eng om te merken wat een temperatuur van tegen de -30 °C in combinatie met harde wind betekent.
De ademdamp perst zich door het gezichtsmasker heen en vormt een ijspantser aan de binnenkant van je
sneeuwbril zodat je als een halfblinde zombie door de sneeuw wankelt, ijs zet zich af tegen je wimpers
en maakt je oogleden plakkerig en zwaar. Ik voel aan het prikken van mijn pols dat deze ondanks drie
paar handschoenen aan het bevriezen is.

Door de storm lopen we over de ijskap. De harde wind maakt dat we maar
minder dan een kilometer per uur konder afleggen!
We hoeven nauwelijks te overleggen; verdergaan is gekkenwerk en we besluiten de tent op te zetten
nu het nog kan. Met veel moeite weten we een tent op te zetten en er allemaal in te kruipen. In de
tent lijkt het wel een slagveld; massa's stuifsneeuw hebben zich door alle gaten en kieren geperst
en alles zit onder de sneeuw. Wat een ellende! In de tent begint nu het lange wachten op betere tijden.
We bepalen onze positie met de GPS en blijken in vier uur tijd nauwelijks drie kilometer te hebben
afgelegd. Robert verricht nog een heldendaad door buiten de tent in een van de sleetjes wat eten en
benzine te halen en de komende 24 uur brengen we door met een beetje hangen en het lezen van Anna
Karinena. Ineens kennen we onze plaats weer op deze ijskap.

In de ochtend blijkt pas hoezeer de storm heeft huisgehouden!
De volgende ochtend gaat de storm liggen en kunnen we de tent uit. Het weer is nog steeds niet
geweldig maar we willen zo snel mogelijk van deze ijskap af zodat we toch vertrekken. In de loop van
de avond bereiken we na een fantastische afdaling het vlakke Gipsdalen. Nog maar 40 vrijwel horizontale
kilometers scheiden ons van de zee!

De uitloop van een gletsjertong in zee. Boven het zoetwaterijs dat zich tegen het
zeeijs indrukt. Een van de meest indrukwekkende verschijnselen in het poolgebied.
Een dag later staat het kampje aan het bevroren strand. Het expeditiegevoel maakt langzaam plaats
voor een vakantiegevoel. Ondanks middagtemperaturen van minus 15 °C lijkt het wel zomer. Dit is
pas genieten! We hebben nu alle tijd van de wereld om van Wonderland Spitsbergen te genieten. We
verbazen ons over de robben die op het zeeijs in de zon liggen en in hun ademgat verdwijnen zodra wij
er aan komen. En passant beklimmen we nog een eenzame ijsberg en nemen een kijkje bij de zeeafbreuk
van de Von Post gletsjer. De oversteek van het zeeijs van de fjord verloopt probleemloos en drie dagen
later bereiken we de kolenmijnen van Longyearbyen weer. Langlaufend komen we aan bij het vliegveld en
slepen onze sleetjes de vertrekhal in. Voor het eerst in twee weken ontdooit de inhoud van de sleetjes
en een ranzige geur begint zich door de vertrekhal te verspreiden. Snel schuiven we de vieze troep op
de rolband bij de incheckbalie. Opgeruimd staat netjes!

Over het zeeijs lopen we dicht langs de kust terug
Epiloog
Het blijkt dat met een serieuze voorbereiding in combinatie met ruime ervaring in de winterse
Alpen en de bergen van Noorwegen ook een zware pooltocht goed mogelijk is. Een aantal jaren ervaring
met tourlanglauftochten zonder ondersteuning van buitenaf (hutten, provianddepots) is echter wel
vereist.
Het Arctisch gebied was geheel nieuw voor ons en dit was een soort testexpeditie om vast te stellen
waar nu de grenzen liggen van een amateurexpeditie met beperkt budget.
Een aantal materialen laten we hier de revu passeren:
Een goede tent plus slaapzak spreekt voor zich; het is de enige plek waar je echt kunt uitrusten
en het behaaglijk warm kan hebben. Bedenk dat je 24 uur per dag in een soort diepvries zit en dat alle
gewone dingen als eten, poepen, lopen in verband met de kou maar moeizaam gaan. Om ijsvorming in de
slaapzak tegen te gaan is het gebruik van een vapour barrier aan te raden. In deze plastic zak ga je
dan in je ondergoed liggen. Vapour barrier sokken zijn ook een must.
Zoals reeds vermeld hebben we afgezien van de aankoop van 'echte' pulka's. Een stel eenvoudige
kindersleetjes bleken na wat aanpassingen uistekend te voldoen. Een rugzak kan als draagstel fungeren
zodat, mocht er een sleetje kapot gaan, je in elk geval een gedeelte van de bagage in de rugzak kan
vervoeren. Een groot gedeelte van het te transporteren gewicht bestaat uit voedsel, wat lichtgewicht
vriesdroogmaaltijden ideaal maakt. Houd er rekening mee dat je in de tweede en daaropvolgende weken
zo'n anderhalf maal zoveel calorieën nodig hebt in verband met het interen op je vetreserves.
Reken per dag ongeveer op 200 cc benzine per persoon voor het koken.
Vertrouw voor de orientatie zoveel mogelijk op klassieke methoden als kaart, kompas en hoogtemeter.
Daarnaast is een GPS prettig om 's avonds in de tent de positie te controleren.
Een geweer tegen de ijsberen is noodzakelijk maar over het nut van de tripwires zijn de meningen
verdeeld; zelfs als de knal hard genoeg is om een ijsbeer te doen afschrikken zijn de wires niet
echt betrouwbaar; eenmaal ging de slagpin door de wind af zonder dat de springlading ontplofte.