
Door: Joris Arts
Na 4 dagen in Ammassalik te hebben doorgebracht is het eindelijk zover. De
afgelopen dagen hebben we alle materialen gesorteerd en op de sledes gepakt en
nu staan we wat gespannen op het helicopter-platform. De afgelopen week is het
weer zo slecht geweest dat er geen vluchten uitgevoerd zijn en de beide
helikopters in het dorp draaien nu overuren. Als alles meezit, dan is er voor
ons tegen het einde van de dag een slot vrij om naar de ijskap te vliegen.
Zeker weten doen we dat echter niet omdat er alleen bij goed zicht naar de
ijskap gevlogen kan worden. Een beetje zorgelijk kijken we naar de eerste
sneeuwvlokken die weer naar beneden dwarrelen. Zou het ons net zo vergaan als
de franse expeditie die we gedesillusioneerd in het dorp tegenkwamen? Meteen
nadat zij op de ijskap waren afgezet werden ze overvallen door slecht weer
waarin ze schade kregen aan hun tent door de harde wind. Na een noodoproep
zijn ze door een vliegtuig van de ijskap gehaald. Voor hen was het avontuur al
voorbij voordat het goed en wel begonnen was, iets waarvan we hopen dat het
ons bespaard zal blijven.
Uiteindelijk klinkt tegen 5 uur in de middag het verlossende woord van de
piloot: we gaan! Nu gaat alles heel snel: tijdens het bijtanken stouwen we
alle spullen in de helikopter. Het gaat allemaal niet erg zachtzinnig en we
moeten behoorlijk proppen om de lompe sledes in de heli te krijgen. De piloot
heeft er duidelijk plezier in, voor hem is een retourtje ijskap een welkome
afwisseling op de routinevluchtjes tussen de dorpjes aan de oostkust.

Langzaam vliegen we over lange fjorden, waar grote ijsbergen zich langzaam
een weg naar open zee banen totdat we boven het kustgebergte komen.
Plotseling duikte daar een onmetelijke witte leegte voor ons op: dat moet de
ijskap zijn!
Enkele minuten later staan we aan de grond. Als de deuren
opengaan bereid ik me voor op een golf van bijtende koude, maar er gebeurt
helemaal niets. Het weer op de ijskap is rustig en het vriest maar licht.
Snel laden we alles uit en dan vertrekt de helikopter weer in een wolk van
lawaai en stuifsneeuw. Bij wijze van afscheid vliegt hij nog eenmaal laag over
en duikt dan naar beneden richting de fjord. Het geluid sterft weg in de verte
en de wereld om ons heen wordt gevuld met de stilte van de
ijskap. Gefascineerd kijken we om ons heen, dit is het dus! Van horizon tot
horizon niets dan ijs. Het is een onwerkelijk gezicht. Zelfs de zwarte kale
rotsen die nu achter ons liggen lijken vriendelijke eilandjes in deze
ongenaakbare vlakte. Zo ziet oneindigheid er dus uit!

Hoewel we de routine en het ritme nog niet hebben gevonden, leggen we vanaf
de eerste dag mooie afstanden af. Dit is voor een belangrijk deel te danken
aan de oude piste-ski's die we als glijders onder de sledes hebben
gemonteerd. Deze ski's maken de sledes weliswaar zwaarder, maar glijden veel
lichter door de sneeuw dan de nylon strips waarmee de sledes standaard zijn
uitgerust. Hoewel de sledes een stuk zwaarder zijn dan bij eerdere tochten in
Canada en Groenland, gaat het lopen vrij licht. Hierdoor maken we vrijwel
vanaf het begin dagafstanden van 20 kilometer of meer.

De eerste week door de Pitoraq zone (de oostelijke kustzone van Groenland
waar zeer zware poolstormen voorkomen, zgn. Pitoraques) verloopt zonder
incidenten. Het weer blijft kalm en de temperatuur zakt niet veel verder dan
15 graden onder nul, wat tamelijk warm is voor de tijd van het jaar.
Hoewel de ijskap nergens orientatiepunten biedt, is het bij helder weer toch
mogelijk koers te houden op de stand van de zon, de hoek waarin de sneeuw over
de punten van de ski's verwaait of een klein flonkerend ijskristal in de
verte. Met deze minimale hulpen is het mogelijk om toch koers te houden zonder
steeds op het kompas te kijken.
Als de ijskap in nevel gehuld is, is het echter vrijwel onmogelijk nog in
een rechte lijn te lopen. De enige oplossing is dan om de achterste persoon
het kompas over te laten nemen. Deze laatste man peilt voortdurend de koers
van de voorste loper. Zodra de afwijking te groot wordt, wordt een
koerscorrectie van achter naar voren geschreeuwd. Het is moeilijk irritaties
te voorkomen en haalt ook veel snelheid uit de groep: er is behoorlijk wat
concentratie voor nodig om rechtuit te blijven lopen.

Op 6 mei zijn we bijna halverwege de ijskap. We liggen net iets voor op de
planning en verwachten dat we op de tweede helft van de tocht de vliegers
kunnen gebruiken zodat we nog meer snelheid kunnen maken. Groenland heeft
echter wat anders voor ons in petto: 's nachts steekt een vliegende storm
op. We hebben alle vertrouwen in de tent, een model speciaal voor pooltochten
dat Lowland voor ons heeft gemaakt, maar af en toe is het beangstigend om te
zien hoever de koepel door de wind ingedrukt wordt. Binnen is het een hels
kabaal van flapperend doek en het bulderen van de wind. We gaan er maar een
paar keer uit om de sneeuwwallen om de tent te verstevigen omdat de wind onder
het grondzeil dreigt te slaan. Buiten is de hel losgebroken, het waait zo hard
dat de sneeuwschop die ik in mijn hand heb, door de wind gegrepen wordt en
hard in mijn gezicht waait. Moeizaam ploeteren we in de storm om de tent tegen
de storm te beschermen. Dit kleine tentje is onze levensverzekering: als de
tent door de storm weggeslagen wordt zijn onze overlevingskansen nihil.

Twee volle dagen en nachten walst de storm over de ijskap. Pas op de derde
ochtend kunnen we weer naar buiten. De storm heeft een windspoor van wel 10
meter lang in de windschaduw van de tent getrokken. De sledes zijn diep onder
de sneeuw verdwenen en het kost geruime tijd voordat we alles weer gevonden
hebben, maar we hebben het doorstaan en de tent heeft zijn reputatie
waargemaakt!
De daaropvolgende dagen zijn lang en moeizaam. Het enige houvast op de
eindeloze vlakte is de klok. De dagindeling volgt een ijzeren patroon: 6 uur
opstaan, sneeuw smelten voor het ontbijt, veel koffie en thee drinken en om 8
uur gordelen we ons aan de sledes vast. Vervolgens lopen we 4 blokken van 2
uur elk, onderbroken door korte pauzes. Deze pauzes zijn afhankelijk van het
weer, meer of minder aangenaam. Bij rustig weer is er even de tijd om op de
slede te zitten en wat te eten en te praten. Helaas komt dat steeds minder
voor. Dagen achtereen is het nu slecht weer en de pauzes zijn ellendig en
duren zelden langer dan 10 minuten. Met het hoofd weggedoken tegen de
sneeuwjacht zitten we dan gehurkt in de sneeuw. Na enkele minuten wordt het zo
koud dat we blij zijn als we weer in beweging kunnen komen. Het is een enorme
teleurstelling: op dit punt van de ijskap zouden we onze vliegers moeten
kunnen gebruiken maar omdat de wind dagenland van voren komt blijven we
veroordeeld tot de dagelijkse tredgang voor de sledes.

Ondanks het slechte weer blijven we gestaag vorderen en op 11 mei bereiken
we het verlaten radarstation Dye-II. Na alle ellende van de afgelopen week
wordt dit een onvergetelijke dag. Voor het eerst kunnen we de vlieger
gebruiken. Een notitie uit het dagboek van een van ons:
"Eerst gaat het
nog langzaam omdat de wind niet erg sterk is maar later trekt de wind aan en
gaat het steeds sneller. Na al het slechte weer van de afgelopen week schreeuw
ik al mijn emoties eruit. Gillend en joelend stuif ik richting Dye-II dat af
en toe in de sneeuwvlagen verdwijnt. De wind komt steeds meer van opzij en ik
moet de ski's flink kantelen om niet teveel af te driften. Dit gaat
fantastisch! Het is een prachtig moment als ik een paar honderd meter voor de
stalen kolos mijn laatste bochtje draai en de vlieger verticaal de sneeuw in
stuur. Dit is waar ik zo op gehoopt had. Ik ben zo vol van deze fantastische
ride dat ik pas later zie dat ik midden op de landingsbaan sta. Het
Amerikaanse leger oefent hier landingen met Herculesvliegtuigen (met ski's
eronder). Fijn dat er vandaag niet gevlogen wordt!"

De uren die we vervolgens in het verlaten en diepgevroren poolstation
doorbrengen behoren wel tot een van de meest bizarre momenten uit ons
leven. De ijskoude stalen kolos heeft onmiskenbaar iets lugubers: in de
kantine staan de borden nog op tafel, blikken cacao en bevroren bier staan in
de kasten. De witte verf is van de muren afgevroren en hangt in lange
schilfers naar beneden. Sommige vertrekken liggen vol met stuifsneeuw maar de
bemanningsverblijven zijn schoon en doen bijna huiselijk aan: een stoel, een
netjes opgemaakt maar stijf bevroren bed, foto's op een nachtkastje. Het is
alsof van het ene op het andere moment al het leven uit deze
miniatuurmaatschappij is weggevloeid en dat maakt het ook allemaal zo
luguber. Via aardedonkere trappenhuizen diep in het binnenste van het bouwsel
klimmen we naar de radarkamers, waar grote borden 'restricted area, authorized
personel only' het militaire karakter van de basis onderstrepen. We neuzen wat
door de manuals van de radarinstallatie en vinden tot slot de ultieme beloning
van onze zoektocht: een steile metalen trap leidt naar de grote radarkoepel op
het dak. Als we de koepel binnenkomen, staan we in een andere wereld: de
koepel is van licht materiaal dat het licht van de zon doorlaat en het is er
bijna warm, hoewel het er nog steeds vriest. In de koepel staat het apparaat
waar het allemaal om draait: een enorme radarantenne van wel 10 meter
doorsnede. Om deze reden hebben hier in de hoogtijdagen van de koude oorlog
meer dan 1000 mensen op de ijskap gezeten. Een absoluut waanzinnig idee.

Later die dag brengen we nog een bezoek aan het piepkleine kampje dat
aangelegd is om de landingsbaan te onderhouden. Het is er voor onze begrippen
comfortabel, maar is nog steeds erg Spartaans. Amy en haar man zitten 6
maanden lang in een enkeldoeks tent van 4 bij 9 meter met een stinkende
kerosinekachel als enige verwarming. Amy legt contact met het radiostation in
Kangerlussuaq en we horen dat er alweer een depressie op ons af komt. Dan
nemen we afscheid en lopen de storm weer in. De wind wakkert alweer flink aan
en langzaam verdwijnt de radarkoepel van Dye-II in de flarden van de
sneeuwjacht. We zijn weer alleen.

Nadat we Dye-II achter ons hebben gelaten hebben we nog een paar dagen
slecht weer maar kunnen we ook regelmatig de vliegers gebruiken. Het vliegeren
is werkelijk fantastisch, ongelofelijk wat een kracht er in de matrassen
zit. Het stuursysteem dat we van Vliegerop hebben meegekregen voldoet
uitstekend, en maakt dat je ook bij harde wind de vlieger stationair boven het
hoofd kan houden terwijl je de handen vrij hebt om ski's vast te maken of iets
in de slede te pakken. Na enige oefening lukt het zelfs om met de vlieger in
de lucht een kopje thee te drinken!
Toch is het gebruik van vliegers niet
helemaal zonder risico's. Jan wordt door een windvlaag gegrepen en samen met
de slede de lucht in gesleurd. Even later krijgt hij de zware slede vol in
zijn rug en blijft roerloos in de sneeuw liggen, terwijl de vlieger hem als
een slappe pop langzaam door de sneeuw voorsleept. Geschrokken vliegeren we
naar hem toe en trekken de veiligheidskoorden los. Met een luide knal wordt de
vlieger gelanceerd en verdwijnt in de lucht.

Gelukkig is alles goed afgelopen, maar de ravage is enorm: overal liggen
lijnen kriskras door de sneeuw, de vliegers flapperen wild in de wind en
sledes en ski's liggen verspreid alsof er een bom is afgegaan. Met deze wind
is het risico op ongelukken erg groot, zeker omdat we niet allemaal even
ervaren zijn met de vliegers.
Uiteindelijk vinden we een simpele maar
effectieve oplossing: met een vlieger trekken we 2 sledes, waarbij op de
achterste slede nog een persoon plaatsneemt. Het is nauwelijks voor te stellen
dat de vliegers 300 kilo kunnen trekken, maar het gaat geweldig. Stuiterend
suizen we over de sneeuwvlakte en in een uur tijd leggen we 12 kilometer af,
een halve dagafstand!

Later wordt het zicht weer slechter, waardoor het risico te groot wordt
elkaar kwijt te raken en dus gaan we weer lopen. Op het einde van dag 25 zien
we aan de horizon dikke stapelwolken, een teken dat we de westkust
naderen. Een dag later tekenen de eerste bergen zich af tegen de
ijsvlakte. Land in zicht! Het ijs wordt nu ook anders van samenstelling: elk
uur dat we lopen komen er meer plekken blank ijs door de sneeuw naar boven. De
ski's hebben er maar moeilijk grip op en ook de sledes glijden alle kanten
uit. Uiteindelijk bereiken we laat in de avond "Dogcamp", op ongeveer 50
kilometer van de rand van het ijs. Van het kamp is weinig over, een paar oude
sneeuwwallen geven aan waar ooit een paar tenten hebben gestaan en Jan vindt
nog een oud vlaggetje in de sneeuw. Ook vinden we sporen van de Ice Road. Deze
zijn echter zo vergaan dat we denken dat dit sporen van vorig jaar zijn en dat
de echte Ice Road een stuk verderop moet liggen. De volgende dag bereiken we
inderdaad de Ice road: een 3 meter brede platgewalste strook op het ijs met op
regelmatige afstand vlaggetjes ter markering. Vanaf nu is het niet moeilijk
meer en in flink tempo lopen we over de ijsweg naar het westen. Joris slaagt
er nog in een flink stuk over de weg te vliegeren. Stef, Jan en Peter leggen
te voet de resterende 50 kilometer in een dag af, een geweldige prestatie!

Eindelijk na 25 dagen staan we laat in de avond weer voor het eerst op het
vaste land. Wat ons het eerste opvalt is dat we weer dingen ruiken: aarde,
stenen, maar ook de penetrante geur van diesel die we al op 6 kilometer
afstand waarnemen. We bellen met de satelliet-telefoon naar Niels, een
uitbater van een kampeerterrein in Kangerlussuaq die ons een paar jaar eerder
ook al heeft opgepikt met zijn terreinauto. Niels belooft dat hij ons de
volgende dag al zal oppikken er we maken het ons gemakkelijk en eten onze
laatste noodvoorraden op. Op het vasteland is het meteen ook een stuk warmer,
wat het vervelende effect heeft dat alles ontdooid en nat wordt. Bovendien
merken we nu pas dat we ook niet erg fris meer ruiken, iets dat bevestigd
wordt als Niels met een stalen gezicht alle raampjes van de auto wijd open
draait!

In het middaglicht rijden we over de toendra terug naar Kangerlussuaq. We
zien enorme gletsjers en watervallen vanaf de ijskap de valleien
instromen. Het is een onwerkelijk idee dat we daar vandaan komen. In de auto
is het stil. Iedereen is met zijn eigen gedachten terwijl het landschap in
elke bocht van de weg door de raampjes voorbij draait. Een fantastisch
avontuur is voorbij. We moeten er nog even aan wennen!
Volgende pagina: evaluatie van de oversteek.